Recensie - Dr. J.B. Smit
 
Wim H. Nijhof, J.H. van Heek (1873-1957) Kunst, katoen en kastelen (Waanders Uitgevers: Zwolle 2008) 606 blz., geïll. ISBN: 978-90-400-8555-0

51 jaar na zijn overlijden krijgt textielfabrikant, kunstbeschermer en tekenaar Jan-Herman van Heek een biografie die er mag wezen. Wim Nijhof beschrijft in drieëndertig hoofdstukken het levensverhaal van een bijzonder persoon die als patriarchale ondernemer vanuit een vrijzinnig-protestantse overtuiging waarden als soberheid, bescheidenheid en volledige inzet voor de maatschappij hoog hield en ondertussen veel geld ter beschikking stelde voor het behoud van het christelijk religieus erfgoed. Nijhof maakte hiervoor onder andere gebruik van Van Heeks uitgebreide en persoonlijke archief dat bestaat uit 93 schetsboeken en 18 dagboeken. Daarnaast sprak hij met veel familieleden en bekenden.
	Het beoefenen van het biografisch genre, in de Leemtenlijst van de Gelderse geschiedenis (1999) nog kort genoemd, kwam pas goed op gang met de uitgaven van het Biografisch Woordenboek Gelderland. In korte maar krachtige overzichten worden hierin Gelderse mannen en vrouwen geportretteerd. Maar dergelijke levensgeschiedenissen, zoals over de Twentse familie Van Heek, zijn er in Gelderland niet veel.
	In de eerste zeventig pagina’s van zijn dissertatie beschrijft Nijhof de contouren van de streek en de familie, die in de negentiende eeuw van grote betekenis waren op industrieel, sociaal en cultureel gebied. De fabrieken van Van Heek gaven aan het begin van de twintigste eeuw werk aan vele duizenden arbeiders. Zijn firma groeide uit tot één van de grootste industriële ondernemingen in Nederland, waarbij eigendom en directieposten binnen de familie bleven.
Gerrit Jan van Heek, de vader van Jan-Herman, was een invloedrijk Twentse textielfabrikant. Hij was onder andere betrokken bij de oprichting van de Twentsche Bankvereeniging, één van de voorlopers van de latere ABN-AMRO. Daarnaast was hij politiek actief als lid van de Provinciale Staten van Overijssel (1869-1895) en de Eerste Kamer der Staten-Generaal (1895-1903), waar hij deel uitmaakte van de stroming van de oud-liberalen. Jan van Heek was eveneens conservatief-liberaal en groeide in de eerste helft van de twintigste eeuw uit tot de bekendste industriële ondernemer in de textielbranche. In tegenstelling tot zijn vader was hij tijdens zijn leven niet politiek actief.
	Na de uiteenzetting over vader en zoon Van Heek wordt Jan van Heek meer en meer de centrale figuur. Nijhof beschrijft hem als een innovatieve ondernemer en textieltycoon wiens rol aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verschoof van firmant van een fabriek (Rigtersbleek in Enschede) naar woordvoerder van de Oost-Nederlandse katoenindustrie. In die laatste positie werd hij medeverantwoordelijk voor de teloorgang van deze industrie na 1945.		
	In zijn leven heeft Jan van Heek vele bedragen geschonken aan de restauratie van monumentale bouwwerken, zoals kasteel De Doornenburg, de Sint-Vituskerk in Elten of de vele in Twente gelegen kerken. Maar ook de oprichting en instandhouding van het Twents museum, met Jan van Heek als ‘gratis directeur’, kan op het conto van deze familie worden geschreven. Nijhof merkt nog op dat de familie, deel uitmakend van het bestuur, wel altijd het laatste woord had.
	Uit Nijhof’s studie blijkt Van Heeks liefde voor laat-middeleeuwse kunst, kerken en kastelen. Er wordt dan ook geregeld ruimte gemaakt voor de fraaie tekeningen van Jan van Heek, die tekenles had gekregen van J.L. Bruna. Van Heek maakte de tekeningen niet alleen in Nederland of Europa, maar ook tijdens zijn reizen naar andere continenten. Egypte maakte een grote indruk op hem. Vanaf het begin van de twintigste eeuw kwam echter een einde aan zijn buitenlandse reizen. Vermoedelijk verschoof in deze periode zijn grote voorliefde voor cultuur-historisch erfgoed van het buitenland naar de nabije omgeving. Daarnaast eisten de zakelijke beslommeringen steeds meer aandacht op.
	Tijdens de sociale kwestie, waar Van Heek in het tijdsgewricht van de negentiende naar de twintigste eeuw volop mee te maken kreeg, zien we zijn familiair liberaal-patriarchale trekken terug. Jan van Heek wilde ‘alles voor, maar niets door de arbeider’. Dit bleek onder andere uit zijn incidentele bemoeienis met het zieken- en pensioenfonds. Aan de sociale problematiek werd door wever Jan Brinkhuis en priester Alphons Ariëns structureel wat gedaan, waardoor Enschede tijdelijk de bakermat werd voor de katholieke arbeidersbeweging. Ariëns ging voor het toenmalige episcopaat echter te ver en werd zelfs in de ban gedaan.
	Heeft het schrijven van een recensie over een nagenoeg in Overijssel gesitueerd levensverhaal wel waarde als bijdrage in een jaarboek over louter Gelderse geschiedenis? Gelukkig voor de Gelderse, maar vooral Liemerse inwoners, hield Van Heeks interesse niet op bij de provinciegrens. De in Oost-Gelderland gelegen Liemers komt eveneens ter sprake. Nijhof verhaalt hoe Jan van Heek in 1912 bij toeval het majestueuze in ’s-Heerenberg gelegen Huis Bergh koopt van de familie Von Hohenzollern-Sigmaringen, inclusief ruim 1200 hectaren landbouwgrond en bos. Na een zorgvuldige restauratie, waarna een grote brand in 1939 letterlijk roet in het eten gooide, bracht Van Heek de schilderijen en kunstvoorwerpen die hij bezat en zou verzamelen, hier naar toe. Dit bezit werd in 1946 een stichting. De voormalige directeur van het Rijksmuseum professor H. van Os, enige tijd adviseur van de Stichting Huis Bergh, kan hierover meepraten. Hij schiep immers orde in de kunstchaos. Niet zo lang geleden maakte hij van deze nood een deugd door de topstukken uit Van Heeks collectie op televisie te becommentariëren. Nijhof verrast de lezer door op diverse plaatsen in het boek prachtige afbeeldingen van Van Heeks kunstbezit af te beelden.
	De uitgebreide genealogische kanttekeningen die Nijhof al schrijvend aanhaalt en waar hij later nog een overzicht van geeft, maken het alleen niet makkelijk om bijvoorbeeld de vermogende Edwina van Heek-Burr Ewing, afkomstig uit St. Louis (Missouri) en gehuwd met een (half)broer van Jan, te traceren. De ‘matches’ met andere textielfamilies worden wel in het boek beschreven, zoals het huwelijk van vader Gerrit-Jan met Julia Blijdenstein en hierna Christine Meier en dat van Jan Herman met Annetje van Wulfften-Palthe. Textiel bleek textiel te trouwen, maar deze familieverbintenissen hadden wellicht wat systematischer en uitgebreider als een soort ‘cotton-dynasty’ kunnen worden gepresenteerd. Informatie hierover kan zo uit het Nederland’s Patriciaat worden gehaald. Misschien dat dan ook de Leidse socioloog, F. van Heek, hier een plaatsje in had gekregen. Maar dit zijn maar een paar tekortkomingen die we kunnen noemen over deze beschrijvende dissertatie die in Overijssel werd uitgeroepen tot boek van het jaar.

Dr. J.B. Smit