Recensie - Dr. E.H. Karel
 
Eind 2010 recenseerde Dr. E.H. Karel, werkzaam op het Nederlands Agronomisch Instituut en aan de Rijksuniversiteit Groningen onderstaande dissertatie. Ook verschenen in Bijdragen en Mededelingen Gelre (Arnhem 2010) deel CI, 212-215

Jan B. Smit, Sporen van moderniteit. De sociaal-economische ontwikkeling van de regio Liemers (1815-1940) (Verloren, Hilversum 2010)
ISBN: 978-90-8704-161-8
542 pp
Ill. Graf. Tab.


‘De beeldvorming over de Liemers is over het algemeen niet zo positief geweest. Schrijft men elkaar daarover voortdurend na of is de Liemers inderdaad te beschouwen als een achtergebleven stukje Nederland?’, zo opent Jan B. Smit zijn proefschrift over een wat minder bekende regio in Gelderland. Want de Liemers is niet ruim bedeeld in de geschiedschrijving en de publicaties die er wel over verschenen zijn, portretteren de regio als een achtergebleven samenleving waarin de modernisering nauwelijks is doorgedrongen. Sinds de 19e eeuw zit een gedeelte van de Liemers als voormalige Pruisische enclave in een twee dimensionaal integratieproces: enerzijds een proces van regiovorming en anderzijds een van integratie in de Nederlandse natie. Voor Jan Smit was dit aanleiding om de volgende vraagstelling op zijn onderzoeksobject los te laten: Zijn er aanwijzingen dat de Liemers qua economische ontwikkeling achterbleef bij de naburige regio’s. Naar welke factoren wordt daarbij verwezen en in welke mate hebben zij de economische ontwikkeling vertraagd of een andere richting gegeven? Hij gaat vervolgens aan de hand van een zestal indicatoren (demografische ontwikkeling, geografische situering, beroepsstructuur, armenzorg, inkomensverdeling en sociaal-culturele en bestuurlijke ontwikkeling) aan de slag met die vraagstelling.
Het is een boeiend proefschrift geworden, maar na lezing blijft wel de indruk bestaan dat het ergens wrikt. De opzet en werkwijze doen sterk denken aan de door de Nederlandse sociologie en geografie ontwikkelde sociografische methode. In de jaren veertig en vijftig was die methode tamelijk populair, ook onder enkele historici zo als blijkt uit het proefschrift van B. Slichter van Bath. De methode was gebaseerd op het verzamelen van een grote hoeveelheid (statistische) data over een streek. Naast bevolkingsdata en gegevens over economische structuur, behoorden daar ook de sociale culturele aspecten bij. De zeer brede verzameling onderzoeksgegevens werd vervolgens verwerkt tot een sociaaleconomisch en cultureel portret van de regio. De belangstelling onder sociologen verdween voor deze methode toen in de jaren zestig de meer theoretische onderzoeksbenaderingen aanhang wonnen. Sociografie werd vanaf dat moment als een veel te empiristisch gezien. Historici kenden dat bezwaar minder, hoewel ook bij hen een goede vraagstelling belangrijker uitgangspunt werd dan het volgen van een specifieke methode.
Voor Smit stond wellicht het schilderen van de moderne geschiedenis van de regio Liemers voorop. Hij heeft zijn vraagstelling daaraan uiteindelijk aangepast. Die discrepantie is niet helemaal uit het boek verdwenen. De aan de zes indicatoren gewijde hoofdstukken blijven daardoor als zelfstandige eenheden naast elkaar staan en worden door de vraagstelling niet meer echt samengebracht. Deze kritiek neemt niet weg dat hij veel en interessant materiaal heeft verzameld over een regio waarvan relatief weinig bekend is. In het hoofdstuk over de demografische ontwikkeling laat Smit zien dat de regio te maken had met de wet van de remmende voorsprong. Aanvankelijk waren sterfte- en geboortecijfer laag, maar aan het einde van de negentiende eeuw begon het geboortecijfer snel te stijgen. Smit wijt dit aan het moraliseringsoffensief van de katholieke kerk. Een bewijs ontbreekt echter, althans hij laat nergens zien hoe zich dat offensief in de Liemers ontplooide. De uitleg leunt hier te sterk op de algemene verklaringen die voor heel Nederland gelden, terwijl we eerder op zoek zijn naar specifieke verklaringen voor elke regio afzonderlijk. 
Door zijn analyse van de migratiecijfers, met name met het naburige Duitsland, laat Smit ook zien dat de Liemers allerminst een geïsoleerde agrarische streek was. De trek naar het snel industrialiserende Ruhrgebied was voor veel arbeiders aantrekkelijk vanwege de daar geboden hoge lonen. Maar ook omgekeerd kwam een relatief groot aantal Duitse arbeiders werken in de verspreide industriële vestigingen in de Liemers. Deze analyse sluit goed aan bij het hoofdstuk over de geografische situering van de Liemers, waarin de auteur  nagaat welke oriëntatie de dorpssamenlevingen van de Liemers kende. 
Wat betreft infrastructuur werd de Liemers in de loop van de 19e eeuw zeker goed ontsloten, maar het vormde wellicht ook daardoor minder een regio op zich zelf als wel een verzameling van subregio’s die georiënteerd waren op verschillende steden buiten de regio: Arnhem, Doetinchem en tot aan de Eerste Wereldoorlog ook de Duitse steden Kleef en Emmerich. Van een regionaal systeem was geen sprake, maar dat leidde er evenmin toe dat de subregio’s werden ‘leegzogen’. Wat hield de mens op hun plaats? Was het dan toch hun werk? 
Smit gaat in zijn vervolg hoofdstuk na of dit ligt aan de beroepsstructuur. De beroepsstructuur ontwikkelt zich in de Liemers volgens een tamelijk normaal (lees: moderniserend patroon). Het was zeker geen regio waar het overgrote deel van de bevolking nog lange tijd aan de landbouw gebonden was. Vanaf het begin van de negentiende eeuw verschenen er net als elders steeds meer ambtenaren (vanwege spoorlijnen, gemeente of douane). Later nam het aantal arbeiders dat in de industrie werkt toe.
Het hoofdstuk over economische ontwikkelingen is voor een belangrijk deel gewijd aan de ontwikkelingen in de landbouw. Smit constateert dat er in de Liemers veel kleine bedrijven aanwezig waren, overigens net als elders in Oost-Nederland. Maar tegelijkertijd was nog een aanzienlijk deel van de grond in bezit van grootgrootgrond-bezitters, onder wie de families Von Hohenzollern, Van Nispen en Van Salm zu Salm. Absenteïsme was zeker begin negentiende eeuw een nog veel voorkomend verschijnsel. Daaruit volgt dat ook het aantal pachtboeren groot was. Vaak werd de pacht overgedragen van vader op zoon. Eind negentiende eeuw begonnen enkele grootgrondbezitters hun grond te verkopen aan kleine boeren. In de periode na 1870 groeide de bezitsvorming onder het aantal kleine boeren daardoor gestaag. Dat werd verder bevorderd door de opkomst van coöperatieve banken die deze groep in staat stelde geld te lenen om de grond te kopen en een eigen bedrijf te starten. Dit proces zette verder door in het begin van de twintigste eeuw. Smit veronderstelt dat deze laatste fase van verkeutering vooral in Gelderland / Liemers was te zien, landelijke cijfers tonen namelijk een tegengestelde tendens. Maar het fenomeen was in heel Oost-Nederland veel voorkomend. Na de lange agrarische depressie aan het eind van de negentiende eeuw, zagen veel boeren hun kans om een eigen bedrijf te starten door meer marktgeoriënteerd te gaan werken. Vandaar dat in de Liemers ook een verandering van bedrijfsstijl viel waar te nemen. Het kleine gemengde bedrijf verlegde het accent van de akkerbouw naar de veeteelt. Smit concludeert dat de Liemers op landbouwkundig terrein zeker geen achtergebleven gebied is geweest. Deze sector heeft de modernisering niet in de weg gestaan.
Dat gold evenmin voor de ambachtelijke nijverheid. Deze was begin negentiende eeuw nog kleinschalig. Naast de steenbakkerij en ijzergieterij betrof het de traditionele ambachten. Tamelijk laat, pas aan het einde van de 19e eeuw, begon de mechanisatie of de industrialisatie, voet aan de grond te krijgen. Maar in vergelijking met elders stelde het weinig voor. Zeker tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef het accent op de landbouw liggen. De Liemers, aldus Smit, bleef een kenmerkend plattelandsgebied, hoewel de omstandigheden om zich aan te sluiten bij de landelijke ontwikkeling voorhanden waren en daarmee de modernisering niet verhinderde
In het laatste hoofdstuk onderzoekt Smit of wellicht politieke factoren een vertraging van de economische ontwikkeling hebben veroorzaakt. De door hem onderzochte periode valt samen met de periode dat het katholicisme in deze regio de absolute hegemonie bezat. De familie Van Nispen, regionale grootgrondbezitters, speelden een belangrijke rol in de politieke emancipatie van de katholieken. Smit ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat dit emancipatieproces, dat in sommige opzichten een conservatieve ondertoon kende, de modernisering in de weg heeft gestaan. Toch benadrukt de auteur uiteindelijk in zijn slotconclusie de remmende rol van het katholicisme.
Na weging van alle indicatoren concludeert Smit in zijn slothoofdstuk dat het beeld over de Liemers moet worden bijgesteld. Op dat wat negatieve beeld is de afgelopen decennia teveel voortgeborduurd en heeft daardoor buitenproportionele en mythische vormen aangenomen die grenzen aan nostalgische en sentimentele ideeën over het onveranderlijke romantisch plattelandsleven. De Liemers blijkt wel degelijk te hebben aangehaakt bij moderne dynamische ontwikkelingen. Slechts de sociaal-culturele ontwikkeling heeft enigszins remmend gewerkt. Smit nuanceert dit laatste: wanneer er een protestants overwicht zou zijn geweest, was zijns inziens het proces identiek geweest. Zo een veronderstelling blijft natuurlijk speculatief.
De afzonderlijke hoofdstukken bevatten een schat aan informatie over de ontwikkelingen op verschillende terreinen in de Liemers. Ze zijn alleszins lezenswaardig. Maar de conclusie is wat mager. Dat de beeldvorming over De Liemers niet correct is, kan zonder meer onderschreven worden. Maar waarom dit gebied zich relatief trager ontwikkelde dan andere regio’s blijft onduidelijk. Wellicht is het samenspel van de indicatoren toch wat anders dan hun optelsom. Niettemin blijft het een aanbevelenswaardig boek.

Erwin H. Karel
NAHI/RU Groningen

.